Home Onderwerpen Over de Islam Uitnodiging

Uitnodiging

Het prediken van Islam of oproepen tot Islam

Oproepen tot Allah was de missie van alle profeten en hun trouwe volgelingen, om zodoende de mensen van de duisternis naar het licht te brengen, van kufr naar imaan, van shirk naar tauwhied en van het vuur naar het paradijs. (Van ongeloof naar geloof, van iets of iemand naast Allah aanbidden naar pure aanbidding van Allah alleen)

Dit oproepen tot Allah is gebaseerd op pilaren; op een basis, die zo van belang is dat als hij ontbreekt het de da’wah incorrect maakt.

Deze pilaren zijn duidelijk weer gegeven in de Koran en de soennah, en houden ten eerste in:

1. Kennis hebben over datgene waartoe je oproept.

Want als je daw’ah doet krijg je altijd tegenwerking, en daar moet je tegen bestand zijn.

2. Je daden moeten overeen komen met je woorden.

Zodoende ben je een goed voorbeeld voor anderen.

3. De intentie moet puur zijn (al-ichlaas)

De daw’ah moet puur en oprecht zijn om Allah’s tevredenheid te zoeken.

Dus niet voor show, een goede naam of speciale positie of leiderschap, noch om bepaalde andere wereldse doelen te bereiken.

4. Beginnen met wat het belangrijkste is, en dat wat daarna komt enz.

Dus eerst oproepen naar het juiste geloof (aqeedah), door erop te wijzen dat alle aanbidding alleen voor Allah is en shirk verboden is.

Vervolgens de salaat opdragen en dan de zakah en dan Helal en Haram.

Zoals Allah dit in soerah an-Nahl:36 zegt:

WIJ STUURDEN NAAR IEDER VOLK EEN BOODSCHAPPER,

HUN BEVELEND DAT ZE ALLEEN Allah MOETEN AANBIDDEN

HEM GEHOORZAMEN EN HUN AANBIDDING ALLEEN VOOR HEM MAKEN,

EN DAT ZIJ MOETEN VOORKOMEN WAT DAN OOK NAAST HEM TE AANBIDDEN.

Het beste voorbeeld om daw’ah te maken vinden we in de manier van Rasuulullaah (s.a.s.)

13 jaar lang riep hij de mensen op tot tawhied, pas daarna droeg hij hen op te bidden en te vasten enzo.

5. Geduld bij het ondervinden van problemen en tegenslagen tijdens de daw’ah.

Want de weg van daw’ah is niet met rozen begroeid, maar met moeilijkheden en tegenslagen.

Zoals Allah zegt in soerah al-An’aam:10:

EN DE BOODSCHAPPERS VOOR JOU WERDEN ZEKER BESPOT

MAAR DEGENEN DIE HEN BELACHELIJK MAAKTEN

WERDEN DOOR HETGEEN WAARMEE ZIJ DE SPOT DREVEN (met straf) OMSINGELD.

En in soerah al-An’aam: 34:

EN VOORZEKER, DE BOODSCHAPPERS VOOR JOU
WERDEN INDERDAAD GELOOCHEND EN ZIJ WAREN GEDULDIG

MET HET LOOCHENEN EN DE KWELLING,

TOTDAT ONZE HULP TOT HEN KWAM.

Soortgelijk ondervonden de volgelingen van de profeten moeilijkheden, omdat zij de profeten volgden.

6. Degene die daw’ah doet dient iemand met goede manieren te zijn.

Hij moet wijsheid in zijn daw’ah gebruiken, want dat is een belangrijke reden voor het wel of niet accepteren van zijn daw’ah. Allah zegt over Rasuulullaah (s.a.s.) in soerah Ali-Imraan:159:

EN HET WAS DANKZIJ DE BARMHARTIGHEID VAN Allah DAT JIJ ZACHT MET HEN WAS EN ALS JIJ STRENG EN HARDVOCHTIG WAS GEWEEST,

DAN WAREN ZIJ RONDOM JOU UITEEN GEGAAN.

7. De oproeper moet standvastig blijven in zijn verwachtingen en hoop op het goede.

Hij moet dus niet wanhopen als zijn daw’ah geen effect heeft, noch wanhopen over Allah’s hulp,

zelfs al duurt het heel lang voordat hij verandering bemerkt.

Neem maar als voorbeeld de profeet Nuh, die geduldig temidden van zijn volk daw’ah bleef doen voor negenhonderd en vijftig jaren.

En toen de profeet Muhammad daw’ah had gemaakt, en het werd op dat moment niet geaccepteerd door dat volk, en hij keerde teneergeslagen terug, kwam de engel van de bergen naar hem en vroeg of hij wou dat dat volk door de bergen verwoest zou worden.

Zijn antwoord was:

“Nee, ik verlang geduldig met hen te zijn, hopelijk zal Allah uit dit volk nakomelingen voortbrengen  die Allah alleen aanbidden, zonder partners met Hem.” (Sahih al-Bukhari en Sahih moslim)

Dus daw’ah die niet op deze pilaren gebaseerd is en geloof dat niet volgens de methode van de boodschappers van Allah is, zal moeizaam vooruit komen en van geen enkele waarde zijn.

De bewijzen hiervoor zie in de “jamaa’aat”(groepen) van tegenwoordig!

Zij hebben methodes die niets te maken hebben met die van de profeten.

Zij geven bijvoorbeeld meer waarde aan dhikr (Allah herdenken) zoals de soefies dat doen dan aan de juiste ‘aqeedah of zij concentreren zich op “guroej” (het rondtrekken door landen)

waarbij het belangrijker is veel mensen  aan te trekken dan dat hun ‘aqeedah juist is.

Hoe goed moslims het ook bedoeld hebben, het juiste geloof blijft en voorwaarde, anders is de daw’ah niet compleet.

Allah zegt in soerah al- An’aam :

VOORWAAR, DEGENEN DIE HUN GODSDIENST OPSPLITSEN

EN TOT PARTIJEN WERDEN

JIJ (O MUHAMMAD) BENT IN NIETS VERANTWOORDELIJK VOOR HEN,

HUN KWESTIE RUST SLECHTS BIJ Allah.

Net als dat Rasuulullaah (s.a.s.) heeft gezegd:

“Degene die iets toevoegt aan deze zaak van ons,

wat wij niet bevolen hebben, zal het afgewezen zien.” (Sahih moslim en Bukharie)

Wij moeten dus uitnodigen tot Islam, zoals Allah zegt:                         

NODIGT (ALLEN) UIT TOT DE WEG VAN JULLIE RABB MET WIJSHEID
EN GOED ADVIES (MET GEVOEL) EN DISCUSSIEER MET HEN OP EEN MANIER DIE BETER IS. (soerah an-Nahl: 125)

Waarom? Want  “Allah HEEFT DOOR ZIJN GENADE DE GELOVIGEN NAAR DE WAARHEID GELEID” (soerah al-Baqarah:213)

En… “DAT IS DE JUISTE RELIGIE, MAAR DE MEESTE MENSEN WETEN HET NIET.…”(soerah Yuusuf: 40)

“EN AL WIE EEN ANDERE RELIGIE ZOEKT DAN DE Islam,

HET ZAL NOOIT VAN HEM WORDEN GEACCEPTEERD

EN IN HET HIERNAMAALS ZAL HIJ EEN VAN DE VERLIEZERS ZIJN.” (soerah ali-Imraan:213)

Da’wah is dus een bevel van Allah en de soennah van Rasuulullaah (s.a.s.) en het is een van de beste manieren om Allah te dienen. In soerah Foessilat: 33 staat:

“WIE IS ER BETER DAN DEGENE DIE DA’WAH DOET NAAR ALLAH EN ZEGT:

“IK BEN EEN VAN DE MOSLIMS.”

Abdullah ibn Mas’oed heeft overgeleverd dat de profeet (s.a.s.) heeft gezegd:

“Wens niet als iemand te zijn, behalve in twee gevallen:Het geval van een man aan wie Allah rijkdom heeft gegeven en vervolgens geeft hij het op een goede manier uit,

of  een man aan wie Allah kennis van Koran en soennah heeft gegeven en die volgens die kennis oordeelt en het aan anderen door geeft.” (Sahih al-Boekhari)

Aan Sheich Abdoel Aziez ibn Baaz werd gevraagd:

“Wat is voor een moslim verplicht met betrekking tot niet-moslims betreffende verschillende sorten interakties?

Zijn antwoord was:

“De verantwoordelijkheden van een moslim tegenover een niet-moslim zijn er velen, o.a: dat hij hen moet oproepen tot de Weg van Allah.

Dit betekent hen onderwijzen en de werkelijkheid van de Islam aan hen duidelijk maken, op een zo goed mogelijke manier als hij over de kennis bezit dit te doen.

Dit is de grootste en de beste goede daad die men kan doen tegen over zijn mede-bewoner;

Voor degenen die samen met de Joden, Christenen en andere ongelovigen leven.''

Hierover heeft Rasuluullaah (s.a.s.) gezegd:

“Degene die naar het goede leidt, ontvangt dezelfde beloning als degene die het verricht.” (Sahih moslim)

En in een hadith Sahih verzameld door moslim, Ahmad, Aboe Dawoed, an-Nasa’ie, at-Tirmidhie, en Ibn Maadjah heeft Rasuluullaah (s.a.s.) gezegd:

“Een ieder die tot leiding oproept zal eenzelfde beloning ontvangen als de beloning van degene die hem volgt, zonder dat de beloning van een van hen wordt verminderd.”

En Sahl bin Sad heeft overgeleverd dat Rasuluullaah (s.a.s.) zei:

“Wees geduldig, totdat je de ongelovigen ontmoet en nodigt ze uit tot de Islam en informeer ze over wat Allah hen heeft opgelegd.

“WAllahi, Als Allah een persoon via jou leidt, is dat beter voor jou dan de beste soort kamelen.”

(Sahih moslim, Sahih al-Bukhari)

En Abdullah bin Amr heeft overgeleverd in Sahih al-Bukhari dat Rasuluullaah (s.a.s.) zei:

“Verspreid (mijn uitspraken) onder de mensen, zelfs als het een enkele zin zou zijn en vertel anderen de verhalen van Bani Isra’iel….’

Zoals blijkt is daw’ah heel belangrijk, zowel tegeover de kaafier als de moslim. Zijn er immers niet genoeg moslims ver afgedwaald? Begrijp de hadith van Rasuulullaah (s.a.s.) overgeleverd door an-Numaan bin Bashier:
“Het voorbeeld van een persoon die gehoorzaam is aan de bevelen en geboden van Allah en een person die hen overscrijdt, is als passagiers op en boot die via het trekken van lootjes beslissen welke groep naar welk dek zal gaan.

Dus sommigen kregen het bovendek en anderen het benedendek toegewezen.

Degenen van het benedendek moesten langs langs de bewoners van het bovendek lopen om water te halen.Toen zeiden de bewoners van het bovendek:“Wij laten jullie niet hier boven komen en ons storen.” Degenen van het benedendek zeiden vervolgens: “Laten we een gat in de bodem boren zodat we degenen boven niet hoeven te storen.”een van hen nam een bijl en begon in de bodem van het schip te hakken, waarop de mensen van het bovendek reageerden: “Wat is er met je?”

Hij antwoordde: “Jullie lieten mij merken dat jullie niet gestoord wouden worden, maar ik heb water nodig.”een van hen zei: “Hij boort alleen maar en gat aan zijn kant!”

…Als zij hadden toegelaten wat hij wou doen, waren zij allen vergaan, maar als zij hem stopten dit te doen, konden zij zichzelf en anderen redden.” ( al- Bukhari, at-Tirmidhie en Ahmad)

Ibrahiem ibn Adhan zei toen hem gevraagd werd over de aya:

“ROEP MIJ AAN EN IK ZAL JULLIE ANTWOORDEN” EN ZIJ ZEIDEN:

“WIJ ROEPEN Allah AAN MAAR HIJ BEANTWOORDT ONS NIET.”

“Jullie kennen Allah, maar jullie gehoorzamen Hem niet.

Jullie reciteren de Qoraan, maar jullie handelen er niet naar.

Jullie kennen sjeitaan en jullie gaan door met hem te volgen.

Jullie beweren van Rasuulullaah (s.a.s.) te houden, maar jullie verwerpen zijn soennah.

Jullie beweren van ad-Djennah te houden maar jullie werken er niet voor.

Jullie beweren angst te heben voor het Vuur, maar jullie stoppen niet met zondigen.

Jullie zeggen: “Zeker de dood is waarheid”, maar jullie hebben je niet voorbereid.

Jullie maken je druk om de fouten van anderen, maar jullie kijken niet naar jullie eigen fouten.

Jullie eten de voorziening die Allah jullie heeft gegeven, maar jullie zijn niet dankbaar aan Hem.

En jullie begraven jullie doden, maar jullie hebben hier geen les uit gehaald…”

De da’wah voor Allah is de manhadj (leiding)  van alle profeten geweest, om zo de mensen van het donker naar het licht te leiden. Het doel van da’wah is advies geven aan alle mensen en hen naar Islam te leiden in het praktiseren van de Islam. De profeet Muhammad (s.a.s.) heeft de Sharee’ah (Islamitische wetgeving) op de beste manier en met het beste gedrag aan de mensen doorgegeven. En hij is tot aan zijn dood doorgegaan met da’wah. Wij zijn allemaal verplicht ten alle tijden en overal ter wereld da’wah te doen.

In soera Ali-Imraan: 104 staat:

LAAT ER ONDER JULLIE EEN GROEP MENSEN ZIJN

DIE UITNODIGT TOT HET GOEDE EN

DIE AL MA’ROEF OPLEGGEN (Islamitisch monotheïsme en alles wat Islam beveelt)

EN AL-MOENKAR (polytheisme en alles wat Islam verbiedt) VERBIEDEN.

EN DAT ZIJN DEGENEN DIE SUCCESVOL ZULLEN ZIJN

Ibn Kathier verklaart over deze aya:

 “Het is de verantwoordelijkheid van een groep moslims in de ummah om de da’wah te leiden.

En voor iedere moslim is het verplicht de da’wah uit te dragen tot het niveau waartoe hij in staat is.

In een hadith overgeleverd door Abu Huraira lezen we over de verschillende manieren van da’wah:

De profeet (s.a.s.) heeft gezegd: “Als iemand van jullie iets van moenkar (polytheisme; alles wat slecht is) heeft gezien, dan moet hij dat veranderen met zijn hand en als hij dat niet kan met zijn tong en als hij dat niet kan met zijn hart. En dit is de zwakste vorm van imaan.” (Sahih moslim)

Vraag je af wat voor da’wah je tot nu toe gedaan hebt? Kijk om je heen hoe ontzettend veel moslims afgedwaald zijn! Hoeveel heb je gedaan voor hen? Wat heb je gedaan voor de niet-moslim?

Hoe vaak nemen we de moeite om hun over Islam te vertellen, en hun vooroordelen te veranderen?

Houden we contact met ze omwille van de da’wah, omwille van de Islam of voor wereldse genoegens? Vergeten we niet vaak bij het omgaan met de niet-moslim te praten over de Islam, waardoor we in nutteloze gesprekken vervallen?

Bij het doen van da’wah moet je echter wel de juiste kennis hebben, want Allah zegt in de Koran;

ZEG (O MUHAMMAD): “DIT IS MIJN WEG;

IK NODIG JULLIE TOT (de eenheid van) Allah UIT

MET DUIDELIJKE KENNIS.

IK EN WIE MIJ OOK VOLGT (moet ook anderen uitnodigen tot Allah)

MET DUIDELIJKE KENNIS.” ( soerah Yuusuf: 108)

Het betekent dat onze kennis gebaseerd moet zijn op de Koran en de soennah, en niet op meningen van “geleerden” en anderen die zonder bewijzen uitspraken doen:

Heeft Rasuulullaah (s.a.s.) immers niet gezegd:

“Geef blijde tijdingen aan de weinigen, degenen die reinigen en corrigeren wat de mensen hebben veranderd aan mijn soennah.” (Sahih; al-Albani as-Silsilat oes-Sahihah no.1273)