De talbiya is de hadj slogan, het begint vanaf het moment dat men in staat van ihraam treed en gaat door tot en met de besteniging van de Satan.
De talbiya:
Labbaik allahoemma labbaik, labbayk la sjarikalaka baik.
Innal hamda wal nigmat laka wal mulk la sjarieka lak.
(Hier ben ik o Allah hier ben ik. U heeft geen deelgenoten, hier ben ik. Voorzeker alle lof, gunsten, rijkdommen en heerschappij behoren U toe, u heeft geen deelgenoten).
Djabir (r.a) leverde over dat de Boodschapper van Allah zei:
„De zonden van een moehrim (pelgrim) die om het welbehagen van Allah tot de ondergang van de zon de Talbiya zegt, verdwijnt samen met de zon. Hij wordt zondeloos als op de dag dat zijn moeder hem baarde."
(Koetoeboe sitte 6448)
Zaib b. Ghalid Djoenaid leverde over dat de Boodschapper van Allah zei:
„Djibriel kwam naar mij en zei: „O Mohammed, zeg tegen jouw volk dat zij de talbiya hardop moeten zeggen, want de talbiya hoort bij de tekenen van de hadj."
(Ibni Madja mensaik 16)
Aboe Bakr leverde over:
Er werd aan de Boodschapper van Allah gevraagd: "Wat is de beste daad van de hadj?". Hij antwoordde: „De talbiya hardop zeggen en bloed laten vloeien van het offerdier."
(Ibni Madja mensaik 16)
Aboe Nadir leverde over:
Djabir en Aboe Said vertelden: „We gingen met de profeet op hadj en zeiden de talbiya zo hard als we konden toen we in Mekka kwamen."
(Moeslim hadj 212)
Sehl b. As Saidi leverde over dat de Boodschapper van Allah zei:
„Tijdens het zeggen van de talbiya, zeggen de stenen, de bomen en de aarde de talbiya rondom een ieder mee. De Boodschapper van Allah wees naar het oosten en het westen en zei: „(alles) Vanaf daar tot waar de aardoppervlakte ophoudt."
(Ibni Madja, kenzoel oemmaal, Tirmizi)
Fadl b. Abbas leverde over:
„Ik was bij de achterkant van de kameel van de profeet en hoorde hem de talbiya zeggen. Hij ging door tot aan de AKaba Djamara (waar de grote Satan wordt bestenigd). Toen hij daar (de Satan) stenigde stopte hij met de talbiya."
(Nasai, ibni Madja mensaik 70)

| < Vorige | Volgende > |
|---|