Het geloof (al-lmaan) is dat goddelijke licht (an-Noêr) in het hart van een gelovige (al-Moe'min) dat is ontstoken door Allah. De beschermingen voor het geloof zijn de godsdienstige handelingen volgens de begrippen Al-Fard (verplicht), Al-Wadjib (noodzakelijk), As-Soenna(h) (toegewijd, overeenkomstig de tradities van Mohammed) (s.a.s), Al-Moestahab (aanbevolen, prijzenswaardig), Al-Mandoêb (neutraal, eervol, welgevallig) en An-Nafila(h) (ter vrije keuze, maar wel loffelijk); zie onderstaande illustratie:
Al-Fard
Al-Wadjib
As-Soenna(h)
Al-Moestahab
Al-Mandoêb
An-Nafila(h)
Echt geloof wordt bevestigd en beschermd als het wordt omgeven door het godsdienstig handelen (al-lbada(h)) zoals hierboven is aangegeven. Zij die aan deze beschermende middelen afbreuk doen, namelijk zij die de verplichte, de noodzakelijke en de Soenna(h) godsdienstoefeningen nalaten, kunnen niet gemakkelijk hun geloof behouden. Op de volgende bladzijden worden de begrippen Al-Fard, Al-Wadjib, As-Soenna(h), Al-Moestalnab, Al-Mandoêb en An-Nafila(h) nader verklaard.
DINGEN DIE MOSLIMS ZORGVULDIG MOETEN VERMIJDEN
1- Onjuiste geloofsvoorstellingen onderschrijven die niet overeenstemmen met de zuivere soenni (Ahl as-Soenna(h)) geloofsleer.
2- Verwaarlozen of nalaten van goede geloofsdaden (al-A'malu s-Salih).
3- Afwijken van rechtschapenheid in intenties (an-Niyya(h)) en daden.
4- Volharden in zonde.
5- Het nalaten van dankzeggen voor de Islam.
6- Niet bevreesd zijn om in ongeloof te sterven.
7- Anderen onderdrukken.
8- Geen gehoor geven aan de gebedsoproep (al-Adzaan) die volgens de soenna(h) wordt omgeroepen.
9- Rebelleren tegen de ouders in situaties die niet tegen de Islam zijn.
10- Menigvuldige eden zweren
11 - Rituele geboden (zoals as-Salat) te licht opvatten: de juiste verrichting van het rituele gebed veronachtzamen.
12- Drinken van dranken die volgens religieuze voorschriften zijn verboden.
13- Moslims kwellen.
14- Beweren in de staat van heiligheid te verkeren hoewel men geen heilige (Waliyoellah) is.
15- Begane zonden vergeten.
16- Verwaandheid, zichzelf als grote geleerde beschouwen.
17- Kwaadspreken en roddelen.
18- Afgunstig en jaloers zijn op geloofsbroeders of zusters.
19- Ongehoorzaam zijn tegenleidende personen (Ulu'l-emr) zolang deze de weg van de religieuze voorschriften (Sjarie'a(h)) niet verlaten.
20- Iemand van te voren al beoordelen als goed of slecht zonder enige rechtstreekse ervaring met de betreffende persoon te hebben.
21- Leugens vertellen.
22- Zich onttrekken aan de leer van de Islamitische religie.
23- Als man zijnde zich als vrouw gedragen en omgekeerd.
24- Genegenheid koesteren voor de vijanden van de Islam.
25- Onvriendelijke gezindheid tonen jegens de ware geleerden van de Islam.
| < Vorige | Volgende > |
|---|